Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Op 28 juli 2026 overleed Lucas Prakke, emeritus hoogleraar Nederlands en vergelijkend staatsrecht. Hij was van 1963 tot zijn emeritaat aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid verbonden, van 1974 tot 2003 als gewoon hoogleraar. Leonard Besselink, emeritus hoogleraar constitutioneel recht en van 1983 tot 1995 een van de medewerkers van Prakke bij de vakgroep Staatsrecht, schreef onderstaand in memoriam.

Met het overlijden van Lucas (Luuk) Prakke op 28 juli 2026 verliest de Nederlandse rechtswetenschap een van de grootsten van het constitutionele recht. Tijn Kortmann, niet de minste onder staatsrechtsgeleerden, noemde hem in een interview uit 2003 ‘de beste constitutionalist in Nederland’.

Prakke studeerde van 1956 tot 1963 aan de Gemeentelijke Universiteit, zoals de Universiteit van Amsterdam toen heette, rechten – naar eigen zeggen ‘een verlegenheidskeuze’. Hij beschouwde zich ‘een overwegend privaatrechtelijk georiënteerd student’. Na afronding van zijn studie bleef hij werkzaam bij de faculteit, echter op het gebied van het staatsrecht. Tot 1972 was hij wetenschappelijk medewerker, daarna hoofdmedewerker, en in 1974 werd hij hoogleraar Nederlands en vergelijkend staatsrecht. Zijn emeritaat in 2003 betekende, in zijn eigen woorden, dat er na bijna een halve eeuw een einde kwam aan zijn ‘intense verbondenheid’ met de Amsterdamse faculteit. Hij beschouwde het verblijf, met zijn gezin, in New York van juni 1967 tot juni 1968 om aan Columbia Law School een LLM te behalen ‘een kostbaar onderdeel’ van zijn vorming, en de daar opgedane kennis van het Amerikaanse staatsrecht.

Het werk van Luuk Prakke past in een Amsterdamse benadering van het staatsrecht, zoals het ook door zijn ambtsvoorganger en promotor J. (Jo) van der Hoeven werd beoefend, met een sterke nadruk op de bestudering van het geldende constitutioneel recht in context, meer in het bijzonder in politieke, maatschappelijke en historische context. Deze Amsterdamse benadering onderscheidt zich van de meer overwegend positivistische, black letter law benadering zoals die vanuit Nijmegen sedert de jaren 1980 in Nederland dominant is geworden.

Zijn contextuele benadering kan worden geïllustreerd aan de hand van het onderwerp waarvoor Luuk Prakke nog steeds wel bekend is, zijn kritische benadering van de door juristen vaak vurig bepleite rechterlijke bevoegdheid om formele wetten (dwz door het parlement vastgestelde en aangenomen wetten) te toetsen aan de bepalingen van de Grondwet – een bevoegdheid die de rechter in 1848 werd ontnomen (artikel 120 Grondwet). Prakke benaderde deze kwestie in de context van de grondwetsherzienende macht (hoe moeilijker de Grondwet zich laat wijzigen, hoe zwaarder een rechterlijk ongrondwettigheidsvotum), de politieke aard en context van wetgeving en van grondwetsinterpretatie (prevaleert de grondwetsuitleg van regering en parlement of die van de rechter?) en van toetsing in het publiekrecht in het algemeen, en dit een en ander in hoge mate op rechtsvergelijkende wijze. De discussie over het toetsingsverbod laait weer op, en zou gebaat zijn met aandacht voor deze contexten. Een recent persbericht van de minister van Binnenlandse Zaken dat zegt dat ‘Nederland het enige land in Europa is’ waarin de rechter de wet niet mag toetsen aan de Grondwet, zou hem een doorn in het oog zijn geweest. Zijn Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk niet langer Europa? Is niet het wezen van het in Europa meest voorkomende model van constitutionele rechtspraak dat het de gewone rechter verboden de wet in strijd met de grondwet te verklaren? Kan de situatie in enig buitenland beslissend zijn voor de keuzes die de grondwetgever maakt? Is het beoogde toetsingsrecht überhaupt wenselijk?

Weinig bekend is dat Luuk Prakke de aanstichter was van het eerste empirische onderzoek dat eind jaren ’60 werd uitgevoerd naar de achtergronden van rechters in het algemeen en hun opvattingen over het toetsingsrecht in het bijzonder: wat voor toetsing zouden we kunnen verwachten als het aan de rechterlijke macht lag? De toenmalige minister van Justitie weigerde de enquête aan rechters aan te bevelen, en wellicht daarom was er een relatief lage respons, al werd de minister in de Tweede Kamer wel op zijn argumentatie daarvoor bevraagd.

Wetenschap dient te voldoen aan strikte criteria van betrouwbaarheid en van grootst mogelijke nauwkeurigheid. Dat was de kern van zijn wetenschapsopvatting. Zuiver en correct taalgebruik waren voor Luuk cruciaal. De term ‘acribie’ heeft in het moderne Nederlands een vaak pejoratieve betekenis, die van letterknechterij. Ακριβεια is in haar klassieke betekenis van grootst mogelijke precisie en nauwgezetheid een deugd die fundamenteel is voor grondig onderzoek, en Luuk koesterde haar in al zijn publicaties.

Zij kenmerken ook een drietal grote onderzoeksprojecten, waarvan hij er twee mede-initieerde en redigeerde met Tijn Kortmann: Het Staatsrecht van de landen van de Europese Gemeenschappen, in latere edities Het Staatsrecht van de landen van de Europese Unie (1981-1998), en Het bestuursrecht van de landen van de Europese Unie (1986). Vijf edities van Het Staatsrecht zijn onder zijn redactie bewerkt en aangevuld, waarnaast ook een vertaling in het Engels verscheen, die nog steeds een lacune vult in het vergelijkend constitutioneel recht in Europa.

Prakkes derde grote project is de bewerking van veertiende druk van het Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, dat beter bekend staat als ‘Van der Pot-Donner’ (naar de namen van respectievelijk de oorspronkelijke auteur en de eerste bewerker). Daarbij werd hij bijgestaan door zijn senior-medewerkers, Joost de Reede en (later hoogleraar) Gerard van Wissen. Luuk vond het verzoek van André Donner om het Handboek te bewerken buitengewoon eervol. Van de aanvaarding ervan had hij een zekere spijt toen hij snel daarna gewaar werd dat Donner, hoe erudiet ook, zich in zijn vele bewerkingen van het Handboek aan ακριβεια niet veel gelegen had laten liggen.

Nauwgezet en precies, maar verre van saai zijn elk van Prakkes in briljante stijl geschreven publicaties – altijd een goed verhaal, niet gespeend van humor. Het oorspronkelijk door hem geschreven en tot 1998 bewerkte hoofdstuk over het Verenigd Koninkrijk in Het Staatsrecht is exemplarisch: het gecompliceerde Britse staatsrecht wordt helder, maar beslist vermakelijk uiteengezet, vol oog voor detail en met humoristische anekdote. Een uitloper van zijn onderzoek naar het Britse staatsrecht is zijn even gedetailleerde als hilarische beschrijving in het liber amicorum voor Van der Hoeven van de juridische regeling van de Britse adeldom, Britse bellen blazen.

Vilein kon hij ook zijn als een academische of ambtelijke publicatie tekortschoot, en in toespraken kon zijn humor een sardonisch tintje hebben als hij de draak stak met bepaalde eigenaardigheden van de toegesprokene.

Bij Luuk Prakke heb ik nooit gestudeerd en ben ik niet gepromoveerd. Toch was hij in de periode waarin ik bij hem medewerker was voor mij een ware leermeester. Het was mij, als voor velen, een voorrecht door hem gevormd te zijn.

Leonard Besselink, emeritus hoogleraar Constitutioneel Recht