25 augustus 2026
Stefanus Raja Koten valt stil zodra hij een oude opname hoort in Lewoloba, een dorp in Oost-Flores. De 75-jarige herkent het lied meteen. Wel merkt hij op dat de delen van het lied op de opname in een andere volgorde staan dan gebruikelijk. ‘Ik krijg kippenvel’, zegt hij zacht.
De opname is bijna een eeuw oud. Ze werd in juli 1930 gemaakt door de Nederlandse etnomusicoloog Jaap Kunst, die muziek en tradities van gemeenschappen in de Indonesische archipel documenteerde. Tijdens zijn onderzoek op Flores nam Kunst 182 liederen op, verdeeld over 75 wascilinders. Hij maakte daarnaast foto’s en films. Het materiaal werd later opgenomen in de Jaap Kunst-collectie van de Universiteit van Amsterdam (zie kader).
De collectie keert nu digitaal terug naar Oost-Nusa Tenggara. Het project wordt uitgevoerd door Barbara Titus, musicoloog aan de UvA en conservator van de Jaap Kunst-collectie, samen met onderzoekers van het Kupangse Institute of Resource Governance and Social Change (IRGSC): Inriyani Takesan, Lommi Dida Kini en Julius J. Seran Goran.
In september 2024 werd het gedigitaliseerde materiaal uit Oost-Nusa Tenggara al overgedragen aan de regionale archief- en bibliotheekdienst. Een deel ervan werd toegankelijk via de Jaap Kunst Hoek in de bibliotheek van Kupang. Maar daarmee was nog niet iedereen bereikt, vertelt Titus. ‘De dorpen in Oost-Flores waar de opnames zijn gemaakt, liggen ruim 200 kilometer van Kupang.’
Daarom bezocht het team in augustus 2026 de dorpen Lewoloba, Waibao en Riangkroko. Daar bleek dat bewoners kennis bezitten die niet in de archieven is vastgelegd: wie er zong, wanneer liederen werden uitgevoerd, waarvoor ze dienden en hoe tradities werden doorgegeven.
De opnames riepen zowel hernieuwde uitvoeringen op als gesprekken over veranderende tradities. In het dorp Riangkroko kreeg de terugkeer ook persoonlijke betekenis: een nakomeling van een zanger op de oude opname hoorde voor het eerst de stem van zijn grootvader.
‘Digitalisering is alleen maar een eerste stap’, zegt Titus. ‘Een archief krijgt pas echt betekenis wanneer mensen de taal, poëzie, muziek en tradities erin herkennen. Niet technologie, maar relaties staan daarbij centraal. Het doel is niet te bepalen hoe tradities moeten worden hersteld, maar om gemeenschappen ruimte te geven om zelf te bepalen wat zij met dit erfgoed willen doen.’