1 april 2026
Twaalf studenten uit heel Nederland, van verschillende studierichtingen, kwamen in de afgelopen maanden samen in de OFF Think Tank om mee te denken over de opera. Over hoe deze kunstvorm inclusiever kan, toegankelijker, en voor een jonger publiek. En over wat opera, en cultuur in bredere zin, betekent in onze maatschappij. De jaarlijkse denktank is een samenwerking tussen de UvA, De Nationale Opera en het Opera Forward Festival, onder leiding van operamaker Sjaron Minailo en gecoördineerd door curator Mirjam Zegers.
‘Deze denktank is heel waardevol voor zowel de studenten als voor de opera zelf’, vertelt docent en onderzoeker Krisztina Lajosi-Moore, die de denktank vanuit de UvA begeleidde. ‘De studenten lopen maanden mee, worden echt betrokken bij producties en zien van dichtbij hoe de sector werkt. En de opera zelf heeft er ook veel aan, want die krijgt input van jonge mensen en een interdisciplinair perspectief. Er doen bijvoorbeeld ook mensen aan mee die nog nooit in de opera zijn geweest. Dat is heel inspirerend en levert frisse, nieuwe inzichten op.’
Ook voor haar eigen onderzoek naar opera is die kruisbestuiving tussen universiteit en culturele praktijk essentieel, vertelt Lajosi-Moore. ‘Als onderzoeker vind ik het belangrijk de opera niet alleen vanuit een academische hoek te benaderen, maar ook juist de samenwerking te zoeken met culturele instellingen zelf, en deel te nemen aan het publieke gesprek over cultuur. Die uitwisseling van ideeën is me veel waard.’
Onlangs presenteerde de denktank van dit jaar zijn resultaten in SPUI25, met onder meer een paneldiscussie over hoe opera een breder publiek kan aanspreken. Het evenement liet zien dat er volop interesse is in opera én openheid voor vernieuwing, vertelt Lajosi-Moore, en dat het operapubliek zeker niet per definitie conservatief is. Een van de belangrijkste inzichten die in het panelgesprek naar voren kwamen, is dat het in de operawereld op dit moment vooral ontbreekt aan een gecoördineerde inzet om een nieuw publiek te bereiken.
Als je in Groningen woont, is het ingewikkeld om ’s avonds naar een voorstelling te gaan in Amsterdam – helemaal met kinderen.
‘Iedereen doet zijn best, maar de inspanningen zijn soms wat versnipperd,’ legt Lajosi-Moore uit. De Nationale Opera heeft bijvoorbeeld een educatieafdeling die scholen bezoekt, maar bereikt daarmee in de praktijk vaak toch vooral kinderen uit een meer cultureel kapitaalkrachtige omgeving. Veel scholen beschikken niet over de middelen om aan zulke activiteiten deel te nemen – iets wat ik ook heb gezien op de school van mijn eigen dochter.’
Dat roept de vraag op of een meer co-creatieve benadering van wat opera kan zijn en voor wie, kan bijdragen aan een bredere toegankelijkheid, stelt Lajosi-Moore. ‘Door samen te werken met diverse gemeenschappen en onderwijsinstellingen, zou opera zich anders kunnen positioneren en nieuwe publieksgroepen kunnen aanspreken.’
Een ander probleem voor de toegankelijkheid van de opera, vooral buiten de Randstad, is de fysieke afstand. ‘Als je in Groningen woont, is het ingewikkeld om ’s avonds naar een voorstelling te gaan in Amsterdam – helemaal met kinderen. Met andere programmering, zoals meer matinees, zou dat probleem kunnen worden aangepakt.’
Veel andere culturele instellingen zijn in de afgelopen tijd steeds toegankelijker geworden, stelt de onderzoeker. ‘Kijk bijvoorbeeld naar bibliotheken: die hebben in de afgelopen decennia een enorme verandering doorgemaakt, dat zijn nu openbare ruimten geworden voor iedereen. Ook veel musea zijn zich op een jonger en diverser publiek gaan richten, en ook bijvoorbeeld het Concertgebouw. Muziekonderwijs op school en betaalbare muziekscholen voor kinderen spelen daar ook een belangrijke rol in. Maar bij de opera is nog altijd weinig verandering.’
‘In onze maatschappij is kunst, en in het bijzonder opera, op een hoog voetstuk geplaatst en verheven tot iets voor ingewijden – terwijl opera in de negentiende eeuw juist een populair en breed toegankelijk genre was’, vertelt Lajosi-Moore. ‘Ik zou daarom graag meer community-opera’s zien, met ruimte voor co-creatie met jongeren, om opera te demystificeren en het te benaderen als een publiek, maatschappelijk goed, in plaats van alleen als hoge kunst. Een van de doelen van onze denktank is daarover na te denken, en concrete ideeën en projecten in elkaar te zetten over wat we hieraan kunnen doen.’
Maar hoe zorg je ervoor dat verandering daadwerkelijk duurzaam wordt? Volgens Lajosi-Moore is daar een structurele samenwerking tussen verschillende partijen voor nodig. ‘Mijn idee is dat er een gecoördineerd platform moet komen voor samenwerking tussen onderzoekers, scholen, de gemeente en de opera, om dit toekomstbestendig te maken. Er moet een infrastructuur komen om jonge mensen te betrekken, dat kun je niet overlaten aan de opera alleen. Dat vraagt te veel.’
Alleen door samen te werken kunnen we van de opera een inclusieve plek maken, waar plaats is voor veel verschillende stemmen.
Dat gecoördineerde platform is Lajosi-Moore op dit moment aan het opzetten: OASIS (Opera in Amsterdam for Socially Inclusive Spaces), een samenwerking tussen de UvA, De Nationale Opera, de gemeente Amsterdam en de Academie voor Theater en Dans. Het project is bedoeld om verschillende groepen uit de samenleving – studenten, beleidsmakers, jongerenorganisaties, onderzoekers – bij de opera te betrekken.
‘Het idee is bijvoorbeeld dat UvA-studenten onderzoek gaan doen naar hoe je opera tot leven kunt brengen voor een nieuw publiek, en dat we voorstellingen gaan co-creëren met jonge mensen,’ vertelt Lajosi-Moore. ‘Alleen door samen te werken kunnen we van de opera een inclusieve plek maken, waar plaats is voor veel verschillende stemmen, en waar iedereen zich thuis kan voelen.’