Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

#Wijzijnneerlandici: de brede inzetbaarheid van de neerlandistiek

Van literatuur tot overheidscommunicatie en van straattaal tot reclames: taal komt overal in terug. In het webinar #wijzijnneerlandici vertellen vijf studenten van de master Nederlandse taal en cultuur over wat hen beweegt om Nederlands te studeren.

In de online bespreking laten de studenten zien wat zij kunnen met hun kennis van de taal door praktijkvoorbeelden van zelf uitgevoerd onderzoek. Hieruit blijkt hoe de neerlandistiek in ieder aspect van het leven terugkomt: de vijf masterstudenten presenteren allemaal een heel verschillend onderzoek in een heel verschillende branche.

‘Nederlands saai?’

Maud Lutterman en Bruno Prent doken in het onderwijs en sloegen de handen ineen om het beeld van Nederlands als ‘saai vak’ aan te pakken. Hiervoor ontwikkelden zij de workshop ‘Flexibel Nederlands’ voor mbo-studenten. De studenten wilden het vak Nederlands koppelen aan de gewone leefwereld van jongeren. Niet Vondel of Mulisch, maar podcasts over hiphop werden dus het onderzoeksmateriaal.

Via praktische en theoretische oefeningen leren de studenten hoe taal een rol speelt in het vormen van je identiteit. Een belangrijk aspect van de workshop is dat taalvarianten zoals straattaal niet worden afgekeurd. ‘Er is niet één goede variant van het Nederlands. Op school wordt taalgebruik vaak gecategoriseerd als ‘fout’, waardoor gevoelens van onzekerheid bij studenten kunnen ontstaan’, vertelt Maud.  

Geen afwijzing

De studenten gaven de workshop voor het eerst op het ROC Mondriaan in Den Haag. Daar werd de discussie actief opgepakt door de leerlingen. ‘Omdat we duidelijk maakten dat wij hun taalvarianten niet afwijzen en oprecht geïnteresseerd zijn in hun input’, zegt Maud.

‘Binnen vijf minuten vertelde een van de studenten al een relevant verhaal’, vertelt Bruno. ‘Hij had gesolliciteerd bij een bouwbedrijf en zich in zijn sollicitatiebrief omschreven als “een jonge gozer van 17”. Want bij een bouwbedrijf moet ik wel laten zien dat ik van harde huize kom, en dat ik niet een soort zakenman ben die alleen maar ABN spreekt.” Die invloed van taal op je identiteit is dus precies wat we ze graag wilden leren.’

Ik merk wel dat als ik met meisjes praat die ik leuk vind, dat ik dan meer verkleinwoorden gebruik”, zei een andere leerling van de workshop. “Omdat ik dan lief gevonden wil worden.”’

Merkidentiteit in taal

Anouk Donkers paste haar expertise toe op het bedrijfsleven en ging aan de slag om merkidentiteit te vangen in taal. Hiervoor nam zij de communicatie van haar eigen werkplek onder de loep: een groot bedrijf met allerlei partijen onder één paraplu, allemaal met een eigen toon.

De ene partij komt heel formeel over en spreekt de klant aan met ‘u’, de ander is een organisatie met een jonge, flitsende stijl. Met een adviesrapport adviseerde Anouk het bedrijf over een overkoepelende communicatiestrategie die goed bij alle merken past. ‘Er wordt binnen het bedrijf natuurlijk niet zoveel onderzoek gedaan, dus ze waren heel blij met deze richtlijn.’

‘Niemand kent Anna Bijns’

Sarah Stinenbosch viel het op dat Nederlandse, vrouwelijke auteurs nog altijd wegvallen in het onderwijs. ‘Niemand van de leerlingen die ik lesgeef kent bijvoorbeeld de vrouwelijke schrijver Anna Bijns.’ Ze ontwikkelde een workshop en een podcast voor middelbare scholieren. Hiermee wilde ze leerlingen enthousiast maken voor historische letterkunde en de studie Nederlands, maar ook aandacht vragen voor de genderkloof in de literaire cultuur.

Sarah: ‘Vrouwen zijn altijd al volwaardige deelnemers geweest van de literaire wereld, maar de leeslijst voor middelbare scholieren bestaat voor ongeveer 90% uit mannelijke auteurs.’

Meer adviseren, ‘net als bij corona’

Charlena Kastelijn deed onderzoek naar de voorlichting over het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. ‘Vanaf ongeveer je dertigste levensjaar krijg je een oproep om deel te nemen, met daarbij een folder. Die is heel erg gericht op informeren, en bovendien een enorm boekwerk: zestien pagina’s. Voor die tijd krijg je als vrouw helemaal geen informatie om je voor te bereiden; er is bijvoorbeeld geen aandacht voor op tv.’

In de communicatie wordt ook stevig benadrukt dat meedoen aan het onderzoek niet verplicht is. ‘Dat heeft er alles mee te maken dat een behandelaar in Nederland moet voldoen aan het principe van informed consent: de patiënt moet overal goed van op de hoogte zijn voordat er überhaupt iets gebeurt.’

Ze vergelijkt dit met tweets vanuit het RIVM over vaccinatie tegen corona. ‘Daarbij wordt wél heel erg opgeroepen: “Haal die boosterprik!” Dat doen ze bij baarmoederhalskanker niet.’ Charlena laat zien dat dit wel nodig is, aangezien de participatie aan het bevolkingsonderzoek afneemt. De student brengt hierop een advies uit over de communicatiestrategie: meer publiciteit en een meer adviserend karakter. ‘Net als bij corona.’